Niet-klassieke fysica: evolutie in de
tijd
| 1766 |
 |
Henry
Cavendish ontdekt en bestudeert
waterstof. | |
| 1778 |
 |
Carl
Scheele en Antoine Lavoisier
ontdekken dat lucht voornamelijk is samengesteld uit stikstof
en
zuurstof. | |
| 1781 |
 |
Joseph
Priestly creëert water door waterstof
en zuurstof te doen ontbranden. | |
| 1800 |
 |
William
Nicholson en Anthony Carlisle
gebruiken elektrolyse om water in waterstof en zuurstof te
scheiden. | |
| 1803 |
 |
John
Dalton introduceert atoommodellen in
de scheikunde en beweert dat materie is samengesteld uit
atomen met verschillend gewicht. | |
| 1811 |
 |
Amedeo
Avogadro beweert dat bij gassen
gelijke volumes steeds een gelijk aantal molecules moeten
bevatten. | |
| 1832 |
 |
Michael
Faraday formuleert zijn
elektrolysewetten. | |
| 1871 |
|
| 1873 |
 |
Johannes van
der Waals introduceert het model van
zwakke aantrekkingskrachten tussen molecules. |
 |
De vier
vergelijkingen van James
Clerck Maxwell die het elektromagnetisme volledig
beschrijven, worden gepubliceerd. | |
| 1885 |
|
| 1887 |
|
| 1894 |
 |
Lord Rayleigh en
William Ramsay ontdekken argon na
spectroscopische analyse van de restgassen van lucht na het
verwijderen van stikstof en
zuurstof. | |
| 1895 |
 |
William Ramsay ontdekt
aards helium na spectroscopische analyse van gas geproduceerd
na het vervallen van uranium. | |
| 1896 |
 |
Antoine Becquerel
ontdekt de radioactiviteit van
uranium. | |
| 1897 |
|
| 1898 |
 |
William
Ramsay en Morris Travers
ontdekken neon, krypton en xenon. |
 |
Marie
Curie en Pierre Curie
isoleren en bestuderen radium en polonium. | |
| 1899 |
 |
Ernest Rutherford ontdekt
dat uraniumstraling een samenstelling is van positief geladen
alfa-deeltjes en negatief geladen beta-deeltjes. | |
| 1900 |
|
| 1901 |
|
| 1902 |
 |
Philipp
Lenard observeert dat de maximale
fotoelektrische energiën niet afhankelijk zijn van de
stralingsintensiteit maar wel van de frekwentie. |
 |
Theodor
Svedberg suggereert dat fluctuaties in
het moleculair bombardement de Brownse
beweging veroorzaken. | |
| 1903 |
|
| 1904 |
|
| 1905 |
|
| 1906 |
 |
Charles
Barkla ontdekt dat elk element een
karakteristieke X-straal bezit en dat de indringdiepte van
deze X-stralen in verband staat met het atomair gewicht van
het
element. |
 |
Albert Einstein vindt een
eerste toepassing van de kwantumtheorie in de vaste materie:
gekwantiseerde vibratie-golven. | |
| 1907 |
|
| 1908 |
|
| 1909 |
 |
Hans
Geiger en Ernest Marsden
ontdekken afbuigingen over grote hoeken van alfa-deeltjes door
dunne metalen folies. |
 |
Ernest Rutherford en
Thomas Royds tonen aan dat alfa-deeltje dubbel
geïoniseerde helium atomen zijn. | |
| 1910 |
|
| 1911 |
|
| 1912 |
 |
Max von
Laue suggereert om X-stralen te laten
diffracteren aan roosters van vaste stoffen. |
 |
Walter
Friedrich en Paul Knipping
diffracteren X-stralen in zink blende. | |
| 1913 |
|
| 1914 |
|
| 1915 |
|
| 1916 |
 |
Gilbert
Lewis en Irving Langmuir
formuleren een schillenmodel met elektronen voor
chemische bindingen. |
 |
Robert Millikan verifieert
in detail de theorie voor het fotoëlektrisch
effect met experimentele
metingen. | |
| 1917 |
|
| 1918 |
|
| 1919 |
|
| 1920 |
|
| 1921 |
|
| 1922 |
|
| 1923 |
|
| 1924 |
|
| 1925 |
|
| 1926 |
|
| 1927 |
|
| 1928 |
 |
Chandrasekhara Raman bestudeert
optische fotonenverstrooiing aan elektronen. |
 |
Paul Dirac zet zijn relativistische
kwantum-golfvergelijking voor elektronen uiteen. |
 |
Charles G.
Darwin en Walter
Gordon berekenen de Diracvergelijking voor een
Coulomb-potentiaal. |
 |
Felix
Bloch introduceert het begrip
elektronen-bandenstructuur in
kristallen. | |
| 1929 |
 |
Oskar Klein vindt de
Klein-paradox uit. |
 |
Oskar Klein en Y.
Nishina leiden de Klein-Nishina-werkzame doorsnede af voor
hoge-energie-fotonenverstrooiing aan elektronen. |
 |
N.F.
Mott leidt de Mott-werkzame doorsnede
voor de Coulombverstrooiing van relativistische elektronen
af. | |
| 1930 |
 |
Paul Dirac introduceert de
elektron-gat-theorie. |
 |
Erwin Schrödinger voorspelt
de zitterbewegung. |
 |
Fritz
London verklaart van der
Waals-krachten als gevolg van de interactie tussen
fluctuerende dipoolmomenten van moleculen. |
 |
D. R.
Hartree en zijn vader W.
Hartree gebruiken mechanische rekenmachines om de eerste
veel-elektronen-systemen
voor reële atomen uit te rekenen op basis van de
Hartree-Fock-theorie. |
 |
Gebaseerd op de
bandentheorie van Felix Bloch en het uitsluitingsprincipe
van Wolfgang
Pauli worden alle kristallen geclassificeerd in
metalen, halfgeleiders en
isolatoren. |
 |
Lev
Landau verklaart het geobserveerde
diamagnetisme van metalen via de elektronen dichtbij het
Fermi-oppervlak. de Haas en van Alfen doen
bijkomende experimentele
observaties. | |
| 1931 |
 |
John
Lennard-Jones stelt de Lennard-Jones
interatomaire potentiaal voor. |
 |
Irène
Joliot-Curie en Frédéric
Joliot-Curie observeren maar misinterpreteren
neutronenverstrooiing in parafine. |
 |
Wolfgang Pauli stelt de
neutrino-hypothese voor om de schijnbare schending van het
energiebehoud te verklaren bij het betaverval. |
 |
Linus
Pauling ontdekt resonantiebinding en
gebruikt het om de grote stabiliteit van symmetrisch planaire
moleculen te verklaren. |
 |
Paul Dirac toont aan dat
behoud van lading uitgelegd kan worden door het bestaan van
magnetische monopolen. |
 |
Harold
Urey ontdekt deuterium door gebruik te
maken van verdampingsconcentratie-technieken en
spectroscopie. |
 |
Eugene Wigner draagt bij
tot de uitbouw van de theorie rond symmetrie in
kwantummechanica. | |
| 1932 |
 |
John
Cockcroft en Thomas Walton
splijten lithium- en boorkernen door gebruik te maken van
proton-beschieting. |
 |
James
Chadwick ontdekt het neutron. |
 |
Werner Heisenberg stelt het
proton-neutron-model voor de kern voor en gebruikt dit om
isotopen te verklaren. |
 |
Carl
Anderson ontdekt het
positron. | |
| 1933 |
 |
Max
Delbrück suggereert dat
kwantumeffecten fotonenverstrooiing veroorzaken in een
uitwendig elektrisch veld. |
 |
Eugene Wigner en
Seitz leggen de basis voor de cellulaire methoden om
elektronenbanden in kristallen te berekenen. Ze berekenen de
banden voor Na met mechanische rekenmachines. | |
| 1934 |
 |
Irène
Joliot-Curie en Frédéric
Joliot-Curie beschieten aluminium-atomen met alfadeeltjes
om op een kunstmatige manier radioactief fosfor-30 te
creëren. |
 |
Leo
Szilard suggereert dat nucleaire
kettingreacties mogelijk zijn. |
 |
Enrico Fermi formuleert
zijn theorie voor betaverval. |
 |
Lev
Landau vertelt Edward Teller
dat niet-lineaire moleculen vibratie-modes kunnen hebben die
de ontaarding van een orbitaal-ontaarde toestand kunnen
opheffen. |
 |
Enrico Fermi suggereert dat
het beschieten van uraniumatomen met neutronen kan leiden tot
het maken van een 93 protonen-
element. |
 |
Pavel
Cerenkov deelt mee dat licht
geëmitteerd wordt door relativistische deeltjes die bewegen in
een niet-scintillerende vloeistof. |
 |
Enrico Fermi gebruikt een
effectieve potentiaal voor de buitenste valentie-elektronen in
verschillende contexten. | |
| 1935 |
 |
Hideki Yukawa
stelt een theorie voor sterke
interacties voor en voorspelt het bestaan van mesonen. |
 |
Albert Einstein, Boris
Podolsky en Nathan Rosen verkondigen de
EPR-paradox. |
 |
Niels Bohr stelt zijn
analyse voor van de EPR-paradox. | |
| 1936 |
 |
Eugene Wigner ontwikkelt de
theorie van neutronenabsorptie door atoomkernen. |
 |
Hans
Jahn en Edward Teller
presenteren hun systematische studie van de symmetrietypes
voor de welke het Jahn-Teller-effect verwacht wordt. |
 |
H. Hellmann
gebruikt een effectieve potentiaal
voor de buitenste valentie-elektronen in verschillende
contexten. | |
| 1937 |
 |
H.
Hellmann vindt het
Hellmann-Feynman-theorema. |
 |
Seth
Neddermeyer, Carl Anderson,
J.C. Street en E.C. Stevenson ontdekken muonen
gebruikmakend van wolkenkamermetingen van kosmische
straling. |
 |
Slater legt de basis voor het
"Muffin Tin"-potentiaalmodel (toenemende vlakke golven als
golffunctie voor elektronen) . | |
| 1938 |
|
| 1939 |
 |
Richard Feynman vindt het
Hellmann-Feynman-theorema. |
 |
Otto
Hahn en Fritz Strassman
beschieten uraniumzouten met thermische neutronen en ontdekken
barium tussen de reactieproducten. |
 |
Lise
Meitner en Otto Frisch
besluiten dat er kernfissie plaatsvindt bij de
Hahn-Strassman-experimenten. | |
| 1940 |
 |
Herring introduceert
georthogonaliseerde vlakke golven voor
valentie-elektrongolffuncties (OPW-methode). | |
| 1941 |
|
| 1942 |
 |
Enrico Fermi realiseert de
eerste gecontroleerde nucleaire kettingreactie. |
 |
Ernst
Stückelberg introduceert de propagator
voor de positron-theorie en interpreteert positronen als
negatieve-energie-elektronen die in omgekeerde richting
bewegen doorheen de ruimte-tijd. | |
| 1943 |
 |
Sin-Itiro
Tomonaga brengt zijn publicatie
betreffende de fysische hoofdprincipes van de
kwantumelektrodynamica. | |
| 1944 |
|
| 1945 |
|
| 1946 |
 |
De ENIAC
computer wordt ontwikkeld in de Universiteit van Pennsylvania:
de eerste volledig elektronische computer gebruik makend van
vacuumbuizen. | |
| 1947 |
 |
Willis Lamb en Robert
Retheford meten de Lamb-Retheford-verschuiving. |
 |
Cecil
Powell, C.M.G. Lattes en
G.P.S. Occhialini ontdekken het pi-meson na het
bestuderen van tracks van kosmische straling. |
 |
Richard Feynman stelt zijn
propagator-benadering voor de kwantumelektrodynamica
voor. |
 |
Bardeen, Brattain en
Shockley kondigen de uitvinding van de transistor
aan. |
 |
Het gebruik van
computers o.a. van het type "IBM Electronic Calculating Punch,
Type 604" bij het oplossen van kwantumproblemen neemt enorm
toe. | |
| 1948 |
 |
Hendrik
Casimir voorspelt een rudimentaire
aantrekkende Casimir-kracht op een
parallelle-plaat-condensator. | |
| 1949 |
|
| 1950 |
|
| 1951 |
 |
Martin
Deutsch ontdekt positronium. | |
| 1952 |
 |
Elektronische
computers worden gebruikt om elektronenbanden exact te
berekenen volgens de OPW-methode. | |
| 1953 |
 |
R.
Wilson observeert
Delbrück-verstrooiing van 1.33 MeV-gammastralen door de
elektrische velden van loodkernen. | |
| 1954 |
 |
Chen
Yang en Robert Mills
onderzoeken een theorie van hadronische isospin door
lokale-inhoud-invariantie te eisen bij isotope
spinruimte-rotaties: de eerste niet-Abelse
inhoudstheorie. | |
| 1955 |
 |
Owen
Chamberlain, Emilio Segrè,
Clyde Wiegand en Thomas Ypsilantis ontdekken het
antiproton. | |
| 1956 |
 |
Frederick
Reines en Clyde Cowan
detecteren antineutrino's. |
 |
Chen
Yang en Tsung Lee stellen
schending van de pariteit door de zwakke kernkracht
voor. |
 |
Chien Shiung
Wu ontdekt schending van de pariteit
door de zwakke kernkracht in vervallend cobalt. | |
| 1957 |
 |
Gerhart
Lüders bewijst het
CPT-theorema. |
 |
Richard Feynman, Murray
Gell-Mann, Robert Marshak en Ennackel
Sudarshan stellen een V-A Lagrangiaan voor zwakke
wisselwerkingen voor. |
 |
John
Bardeen, Leon N. Cooper en J. Robert
Schrieffer geven een theoretische verklaring voor
supergeleiding. | |
| 1958 |
 |
Marcus
Sparnaay bevestigt het Casimir-effect
experimenteel. |
 |
Phillip W.
Anderson, Sir Nevill F. Mott en John H. Van Vleck stellen
theorieën op voor elektronen in wanordelijke materialen zoals
legeringen en amorfe materialen. | |
| 1959 |
 |
Yakir
Aharonov en David Bohm
voorspellen het
Aharonov-Bohm-effect. | |
| 1960 |
 |
R.G.
Chambers bevestigt het
Aharonov-Bohm-effect
experimenteel. | |
| 1961 |
 |
Murray
Gell-Mann en Yuval Ne'eman
ontdekken de Achtvoudige-Weg-patronen, de SU(3) groep. |
 |
Jeffery
Goldstone overweegt het breken van de
globale fasesymmetrie. | |
| 1962 |
 |
Leon
Lederman toont aan dat het
elektron-neutrino verschillend is van het
muon-neutrino. | |
| 1963 |
 |
Murray
Gell-Mann en George Zweig
stellen het quark/aces-model voor. | |
| 1964 |
 |
Peter
Higgs overweegt het breken van de
lokale fasesymmetrie. |
 |
J.S.
Bell toont aan dat alle lokale
verborgen-veranderlijke-theorieën moeten voldoen aan de
ongelijkheid van Bell. |
 |
Val
Fitch en James Cronin
observeren schending van CP door de zwakke kernkracht in het
verval van K-mesonen. | |
| 1965 |
|
| 1966 |
|
| 1967 |
 |
Steven
Weinberg brengt zijn elektrozwak model
voor leptonen uit. | |
| 1968 |
|
| 1969 |
 |
J.C.
Clauser, M. Horne, A.
Shimony en R. Holt stellen voor de ongelijkheid van
Bell te toetsen aan een polarizatie-correlatietest. | |
| 1970 |
 |
Sheldon
Glashow, John Iliopoulos en
Luciano Maiani stellen de charm-quark voor. | |
| 1971 |
 |
Gerard 't
Hooft bewijst dat het
Glashow-Salam-Weinberg elektrozwakke model gehernormeerd kan
worden. | |
| 1972 |
 |
S.
Freedman en J.C. Clauser voeren
de eerste polarizatie-correlatietest voor de ongelijkheid van
Bell uit. | |
| 1973 |
 |
David
Politzer stelt de asymptotische
vrijheid van quarks voor. | |
| 1974 |
 |
Burton
Richter en Samuel Ting
ontdekken het psi-meson, wat het bestaan van de
charm-quark impliceert. | |
| 1975 |
 |
Martin
Perl ontdekt het tauon. | |
| 1976 |
|
| 1977 |
 |
Leon
Lederman en zijn collega's in het
Fermilab ontdekken de vijfde quark (bottom) en zijn
anti-quark. |
 |
S.W.
Herb vindt de upsilon-resonantie, wat
het bestaan van de beauty-quark impliceert. | |
| 1978 |
|
| 1979 |
|
| 1980 |
 |
Klaus Von
Klitzing ontdekt het de kwantisatie
van het Halleffect. | |
| 1981 |
|
| 1982 |
 |
A.
Aspect, J. Dalibard en G.
Roger voeren een polarizatie-correlatietest voor de
ongelijkheid van Bell uit die samenzwerende polariserende
communicatie uitsluit. | |
| 1983 |
 |
Carlo
Rubbia, Simon van der Meer en
de CERN UA-1 collaboratie vinden de W± and
Z0 intermediaire vector-bosonen. | |
| 1984 |
|
| 1985 |
 |
Een nieuwe vorm
van koolstof wordt ontdekt: Koolstof-60 moleculen
(Buckminsterfullerene). | |
| 1986 |
 |
J. Georg
Bednorz en K. Alexander Müller
ontdekken hoge-temperatuur-supergeleiders bij keramische
materialen. | |
| 1987 |
|
| 1988 |
|
| 1989 |
 |
De
resonantiebreedte van het Z0-intermediaire vector-boson
indiceert dat er drie quark-lepton generaties bestaan. | |
| 1990 |
|
| 1991 |
|
| 1992 |
|
| 1993 |
|
| 1994 |
 |
Onderzoekers in
het Fermilab vinden bewijsmateriaal voor het bestaan van de
zesde quark (top). | |
| 1995 |
|
| 1996 |
|
| 1997 |
|
| 1998 |
|
| 1999 |
|

Bron: http://www.gsu.edu/other/timeline/quantum.html
Text by http://cast0.ast.cam.ac.uk/Xray_www/niel/scales.html
/ HTMLified by http://pond.cso.uiuc.edu/ducky/ducky.home.html
|